Kern van de uitspraken
De RDW hanteert bij de herregistratie van importvoertuigen een interne werkwijze waarbij, als geen exacte CO2-waarde beschikbaar is via een certificaat van overeenstemming (CVO) of buitenlands kentekenbewijs, automatisch de hoogste waarde uit de Europese typegoedkeuring wordt geregistreerd.
Die werkwijze is volgens de Afdeling bestuursrechtspraak in strijd met het doel en de strekking van het geharmoniseerde Europese typegoedkeuringsstelsel.
Belangrijker nog: de Afdeling oordeelt dat een belanghebbende niet langer verplicht is een CVO te overleggen om aan te tonen dat de geregistreerde CO2-uitstoot onjuist is. Andere beschikbare documentatie moet eveneens worden meegewogen bij een verzoek tot wijziging op grond van artikel 43e Wegenverkeerswet 1994.
Kentekenregister als volwaardig bewijs
De Afdeling accepteert een lijst met referentievoertuigen uit het Nederlandse kentekenregister als volwaardig bewijs. Wanneer een voldoende aantal voertuigen met dezelfde Europese typegoedkeuring op essentiële kenmerken overeenkomt met het geïmporteerde voertuig, en al deze referentievoertuigen dezelfde (lagere) CO2-uitstoot hebben, is daarmee aannemelijk gemaakt dat de geregistreerde waarde onjuist is.
De Afdeling overweegt daarbij uitdrukkelijk dat wanneer alle referentievoertuigen dezelfde CO2-uitstoot hebben, aannemelijk is dat die uitstoot is vastgesteld aan de hand van de door de fabrikant vastgestelde waarde op het CVO. De RDW heeft op zitting bevestigd dat de CO2-waarde uit de Europese database, van het kentekenbewijs en van het CVO in beginsel gelijk zou moeten zijn.
Met andere woorden: de gegevens van referentievoertuigen in het kentekenregister worden geacht te conformeren aan de fabriekswaarde.
Drie zaken, drie uitkomsten, één principieel oordeel
Uit de drie zaken tekent zich een helder kader af voor wanneer het tegenbewijs slaagt:
70 referentievoertuigen die op 15 kenmerken overeenkwamen. De RDW moest de CO2-uitstoot aanpassen.
Lees de uitspraak →188 referentievoertuigen met identieke NEDC2-waarden. RDW moest aanpassen.
Lees de uitspraak →Slechts twee referentievoertuigen die bovendien op relevante punten verschilden. Onvoldoende bewijs. Het principiële punt (RDW-werkwijze onjuist) werd echter wel bevestigd.
Lees de uitspraak →De kenmerken waarop referentievoertuigen moeten overeenkomen zijn de essentiële punten uit Bijlage II, deel B, van Richtlijn 2007/46/EG: onder meer typegoedkeuringsnummer (inclusief extensie), uitvoering, variant, maximumvermogen, brandstof, massa rijklaar, cilinderinhoud, wielbasis en milieuklasse.
Gevolgen voor de BPM-praktijk
De aanleiding voor alle drie de zaken was een naheffingsaanslag BPM. De Belastingdienst neemt bij het vaststellen van de BPM de CO2-uitstoot uit het kentekenregister als uitgangspunt. Wanneer de RDW een te hoge waarde registreert, betaalt de importeur te veel BPM.
Met deze uitspraken staat vast dat importeurs die geconfronteerd worden met een te hoge CO2-registratie niet afhankelijk zijn van een CVO om dat aan te vechten. Een gedegen vergelijking met het kentekenregister volstaat. Dat opent de weg voor herziening van de BPM in potentieel duizenden gevallen waarbij de RDW de hoogste waarde uit een range heeft gehanteerd.
Wat u kunt doen
Vermoedt u dat u te veel BPM heeft betaald door een onjuiste CO2-registratie? Of staat u op het punt een voertuig te importeren? Een gedocumenteerde lijst met referentievoertuigen uit het RDW-kentekenregister, gelijksoortig op de essentiële punten van Richtlijn 2007/46/EG, is na deze uitspraken een sterk bewijsmiddel.
Een ROTA-erkend taxatierapport dat deze gelijksoortigheidstoets bevat, helpt u zowel vooraf (correct aangifte doen) als achteraf (bezwaar of beroep tegen een naheffing of een onterechte CO2-registratie).